11 February 2015

Nieuwe dingen in 2015: deel I, De piste






Bij gebrek aan een grote competitieve uitdaging dit jaar besloot ik enkel weken geleden dat 2015 dan maar het jaar van "nieuwe dingen ontdekken" zou worden. Zonder het te beseffen had ik het al in november aangekondigd in mijn maandelijkse column in MTBplus magazine met de zware titel EXTREEMVia Facebook kreeg ik hierop de reactie dat het klonk als de begrafenisrede van een competitiebeest. Ik vond het een mooie uitdrukking maar lachte het toen nog weg. Vandaag liggen de kaarten anders. Sinds drie maanden leef ik niet meer enkel van de sport en de liefde, maar van wat ik verdien met mijn nine to five job. Fietsen doe ik minder, maar niet minder intens. Ik ontdek nieuwe kanten van onze wondermooie sport. Mijn eerste nieuwigheid werd de piste en het was een schot in de roos. Dankzij Valerie en Filip Sport maakte ik op zondag 1 februari voor het eerst in mijn fietscarrière de Eddy Merckxpiste in Gent onveilig. ( Misschien niet toevallig dat ik de Kanibaal diezelfde week nog had ontmoet?! :-)
Hoe het mij is vergaan? Deze prachtige beelden van Bart Goossens spreken voor zich.  Benieuwd naar wat mijn volgende nieuwigheid is? Check de blog van Frank, hij neemt me binnenkort op sleeptouw.





Girlpower

Extreem

Zou het kunnen dat we op zoek gaan naar steeds extremere sportieve uitdagingen omdat we het in ons dagelijks leven zo gemakkelijk hebben? En nu hoor ik jullie denken: ”Makkelijk? Ik vind het leven niet eenvoudig.” Denk dan eens na: ’s morgens is er koffie met een druk op de knop, naar het werk gaan gebeurt met vijf stappen naar de auto en wat energie die verloren gaat aan ergernissen met betrekking tot de files of de andere weggebruikers. Werken doen we achter de computer en enkel onze vingers worden moe. De lunch ligt na een simpel telefoontje op kantoor. Kauwen hoeft niet, want het broodje is zodanig leeg dat het smelt in de mond. Het blikje cola dat er achteraan gaat, geeft een explosie in het hoofd die we interpreteren als een energieboost. De klop die we daarna ervaren zien we als een dip omdat we zo hard hebben gewerkt. Het is ons lichaam dat even halt roept, want het heeft net de brokstukken van die knal geruimd. Als antwoord gooien we er een chocoladereep en een Ice-tea tegenaan. En het ontploft weer in ons hoofd en ons lijf moet opnieuw aan het delven op zoek naar overlevenden. 


Ik moet jullie gelijk geven, het leven is inderdaad niet gemakkelijk ... voor onze cellen. Maar wat ik eigenlijk bedoel is dat er bij geen enkele stap in ons levensproces nog een vorm van fysieke inspanning nodig is, dat we in onze maatschappij niet meer lichamelijk door een muur moeten gaan om te overleven. Onze spieren leiden een lamlendig leven, terwijl onze cellen zich de ziel uit het lijf werken als gevolg van al die rommel die we binnen gooien. Maar dat voelen we niet. Althans die signalen negeren we: hoofdpijn, een opgeblazen buik, darmkrampen, zweten, vermoeidheid, wie kent het niet? Maar goed, terug naar het vraagstuk van de dag: zou het kunnen dat we op zoek gaan naar steeds extremere sportieve uitdagingen omdat we het in ons dagelijks leven zo gemakkelijk hebben? Twijfelt er nog iemand? Overleven in onze maatschappij is een evidentie geworden, dan maar die overlevingsdrang kunstmatig prikkelen door een buitengewone sportieve inspanning te verrichten. Is dat niet een klein beetje een schande dat we ons alles in onze schoot laten werpen, alles voor lief nemen, steeds sneller gaan, voor niks meer tijd hebben en daarmee het milieu en onze cellen belasten. Om dan bij wijze van tegenprestatie ons fysiek af te reageren in een loodzware competitie als de Cape Epic, de Grand Raid Godefroid, de Zillerthalmarathon en vul maar aan wat je zelf gereden hebt dit jaar? Ik wijs niemand met de vinger, want ik doe het ook. 

Ik constateer en ik beschrijf nu gewoon wat ik ervaar door even stil te staan. Want sinds ik Japanse driejarenthee drink in plaats van koffie heb ik elke ochtend zes minuten de tijd om gewoon eens stil te staan. Een minuut om het water te laten koken. Een minuut om het tot net onder het kookpunt te laten zakken, drie minuten om het builtje ( dat ik zelf heb gevuld met losse blaadjes ) te laten trekken en nog een minuut om het op drinkbare temperatuur te laten komen. Op die tijd heb jij drie koppen koffie binnen. Wat ik ervaar als ik de thee drink is geen boost. Mijn lijf wordt niet onder druk gezet en ik val een tijdje later niet in een gat. Mijn geest blijft helder, ik ben niet vermoeid en ik heb geen andere klachten. 



Ik verplaats me zo veel als mogelijk met de fiets, eet voeding van natuurlijke oorsprong, rasp mijn worteltjes met de hand, bak mijn eigen koekjes en wat merk ik? De behoefte om mijn teveel aan energie te ventileren in een sportief event is er niet meer. De drang heeft plaats gemaakt voor iets wat ik als veel waardevoller ervaar: pure goesting. En dat voelt heel gematigd. Maar misschien klinkt dit voor jullie dan weer allemaal heel extreem? 




02 February 2015

Dood

Hoe bereid je je voor op iets als de dood?
Mijn grootvader weet het ook niet.

De man is 97 en ligt te bed in het woonzorgcentrum Gravenkasteel in Lippelo. 

Hij woont er sinds medio september met zijn vrouw Mitteke. Zij wordt er straks 102 en praat niet over doodgaan. Eraan denken doet ze wel. Dat is duidelijk, want ze geeft instructies over hoe ze het allemaal geregeld wil: in de kerk van Sint-Amands, want die is mooier, intiemer dan die van Oppuurs en dat ene liedje van Kris De Bruyne over de Schelde, mag zeker niet ontbreken. (Het wordt trouwens tijd dat ik het eens ergens vind, want straks is het zover en weet ik niet waar ik het moet gaan zoeken. - Neen, er is nog tijd genoeg. Maar bij deze heb ik het toch even snel gedaan: Sint-Amands aan de Schelde.)
Chris De Bruyne aan de kaai in Sint-Amands
Mitteke en Frans hebben een tijd lang in Sint-Amands gewoond. Frans was er conciërge van de tannerie, de leerlooierij. Enkele jaren na de sluiting in 1959 zijn ze naar Oppuurs verhuisd waar ze 47 jaar samen in hun huis in de wijk woonden. "Waar ons huis nu staat was vroeger een boerderij, wij wonen in de stal. En Maria, onze engelbewaarder, haar huis stond er al toen wij bouwden, zij woont in het woonhuis van de boerderij." 
de tannerie
Nu woon ik in de wijk samen met mijn man en onze Peter en ons Bomma in Lippelodorp nummer 4 samen met zo'n tweehonderd zorgbehoevende ouderlingen. 

"Ik ben hier den oudste mannelijke bewoner.", aldus onze Peter. Zijn concentratiespelleke snappen zijn medebewoners niet. "Die mensen zijn hier in niks geïnteresseerd. Dat spreekt ni aan tafel, da klapt over niks. En kaarten, daar heeft niemand hier kaas van gegeten.Maar de verpleging is gedienstig, daar kunde niks teveel aan vragen."

"Wij hebben genen thuis meer", jammert ons Bomma. Zoiets gaat door merg en been, maar we blijven koelbloedig: "Allé Bomma dat is hier toch goed, ge kunt toch nergens ni beter zijn dan hier." Als we het zouden menen, zou het mooi zijn.
Maar het is dubbel, iedereen weet dat ze in hun eigen huis geen leven meer hadden. Mentaal zijn ze quasi perfect in orde, maar fysiek gaat het niet meer. Dan moeten er zulke keuzes gemaakt worden. "Ja manneke, dit is ons laatste stationneke. Na dit gaan we nergens ni meer naartoe." Zo is dat Peter, maar dat wil ni zeggen dat het geen plezant stationneke kan zijn. Hij begrijpt dat, ons Bomma ziet het zo niet.  

Sinds een dikke week ligt onze Peter in zijn bed zonder er nog uit te komen. Een bronchitis was de aanleiding, maar het begint er stilaan op te lijken dat het meer is dan dat. De goesting is over. Hij wil niet meer. "'t Is goe geweest Manneke, ik wilde da'k kon gaan.
Onze Peter en ons Bomma thuis op het Kruisveld
Vandaag zijn ze 69 jaar getrouwd, onze Peter en ons Bomma. Daar moeten we een glaske op drinken. En petit comité verzamelen we op hun kamer waar we een verpleegster treffen die met onze Peter een gesprek voert. De termen palliatieve begeleiding, niet meer ingrijpen als er iets gebeurt, een papier ondertekenen zweven door de kamer. 

Het is tegelijk surreëel en heel erg echt en oprecht. 
"Ik vind dit zware kost zo op de rand van het graf.", zegt ons Bomma. "En dat gesprek ga ik nog heel de nacht mogen horen.", voegt ze eraan toe. Ja onze Peter babbelt over zo'n dingen, hij noemt ze bij naam. Voor ons Bomma is dat allemaal ni nodig, we zien wel wat er komt. 
Als de verpleegster weg is, vraagt onze Peter iets om te kalmeren. We kraken het fleske champagne en klinken erop. Waarop? Op een wonderlijk lang huwelijk of op de dood? Wat maakt het uit? De toost is geladen met liefde en dat is wat telt. 
Onze Peter met Kerst 2014

Ons Bomma met Kerst 2014